De baantraining

baantraining
Hoe waardevol is de training op de atletiekbaan?

Past het in het trainingsschema? Wanneer loop ik hetzelfde programma als een ander terwijl die voor een ander doel aan het trainen is? En wat train ik nu eigenlijk?
– Tekst: Anjolie Engels-Wisse –

De baantraining wordt aangeboden in groepsverband. Gezamenlijk wordt er ingelopen waarbij er ruimte is voor sociale contacten. Vervolgens vindt er loopscholing plaats. De oefeningen die behoren bij de loopscholing zijn gericht op verbetering van mobiliteit, kracht, balans, coördinatie en reactiviteit. Dit heeft een positief effect op de loophouding, het looppatroon en het geeft een verbetering in de loopeconomie. Bovendien wordt de belastbaarheid vergroot, waardoor de loper meer belasting aan kan zonder klachten op te lopen. Binnen de oefeningen is er verschil in niveau van uitvoering. Binnen het aanbod is er keuze voor de loper op welke wijze en / of welke hoogte er gesprongen wordt.

Hierna volgt het loopprogramma gericht op tempo. De groep verdeelt zich in meerdere groepen, gekoppeld aan niveau en het te behalen doel. Hierbinnen vindt een opbouw plaats. In de periodisering voor de baantraining wort er rekening gehouden met seizoenperioden. Wanneer laatste maanden van het jaar ingaan, lopen de lopers een programma met daarin meer herhalingen in series gericht op het basistempo, langzamer dan het omslagpunt, laag in zone 4. De totaal te lopen afstand zal rond de 7 km liggen.

Gedurende de winter neemt het aantal herhalingen af en wordt de te lopen afstand binnen een serie langer. Aan het einde van de winterperiode lopen de lopers weinig series, met daarin weinig afstanden. Dat houdt in dat de lopers dan in twee series en daarbinnen bijv. twee afstanden een totale afstand van rond de 7 km afleggen op het basistempo.

In het voorjaar kunnen in de baantrainingen eerste intensievere trainingsprikkels gelegd worden. Tijdens het lopen worden de richttijden aangegeven rondom het omslagpunt. Prikkels wat sneller, afgewisseld met prikkels wat rustiger. Ook daarin vindt de opbouw plaats van meerdere series met daarin meerdere tempolopen die uitbreiden naar langere tempo’s en minder herhalingen als de zomer vordert.

Lopers van gelijkwaardig niveau die in het voorjaar een marathon of een halve marathon goed willen kunnen lopen, hier voor de handigheid groep A genoemd, kunnen dezelfde baantempo’s lopen. Een loper die in de winterperiode zijn basis legt voor een baanprogramma gericht op midden-afstand in de zomer, kan in de winterperiode de tempo’s meelopen met deze groep. Pas in het voorjaar zal het baanprogramma specifieker worden en is de combi niet meer te maken.

Lopers die minder hard kunnen lopen dan de lopers uit groep A, hier even te noemen groep C, volgen andere richttijden dan groep A lopers en de tempo’s kunnen iets aangepast zijn in afstand. Is er echter uit groep C een loper die in de winter goed wil kunnen presteren op bijv. een korte cross, dan kan deze delen van de tempo’s van groep A meelopen. Voor deze loper is het tempo harder dan zijn omslagpunt en kan hij / zij werken aan een hoger looptempo en tempohardheid. Dankzij de delen die meegelopen worden, is de hersteltijd langer dan die lopers uit groep A.

Zo is een individueel gericht programma te volbrengen binnen een groep. Het verschil in niveau kan juist een meerwaarde zijn, wanneer daar op een creatieve wijze gebruik gemaakt van wordt. Belangrijk is dat lopers ook weten wat ze trainen, welke opbouw zij maken en wat het individuele trainingseffect is.

EnjoyYourRun